Paul Moeyes

Geen evenementen
  • Illustraties_1
  • E.H. Shepard
  • Illustraties_2
  • Neergestort Frans vliegtuig

Inhoudsopgave

Van Punch naar Poeh

Van Punch naar Poeh

Bij wijze van recensie van het boek Shepard's War, samengesteld door James Campbell (LOM Art, 2015), 160 pp., geïllustreerd.

eh shepard 20181219 1001847683 

Sommige kunstenaars vinden de roem die ze zochten, voor de meesten blijft die zoektocht echter vergeefs. Daarnaast is er nog een curieuze derde categorie, de kunstenaars die wel roem verwierven, maar niet voor de artistieke prestaties die zij zelf het belangrijkste vonden.

Ernest Howard Shepard (1879-1976) is de geschiedenis ingegaan als de illustrator van Winnie-the-Pooh (1926) en House at Pooh Corner (1928). Maar veel liever had hij die erkenning voor zijn vakmanschap gekregen als staftekenaar van Punch, het beroemde Engelse tijdschrift waarin hij bijna een halve eeuw zijn spotprenten publiceerde. Ironisch genoeg verging het de geestelijke vader van Winnie-the-Pooh al net zo. Alan Alexander Milne (1882-1956) had literaire geschiedenis willen maken als toneelschrijver en essayist voor datzelfde Punch, niet als de auteur van twee kinderboeken over een speelgoedbeer.

Het in 1841 opgerichte Punch ging in 1992 ter ziele, maar in de jaren rond de Eerste Wereldoorlog was het een nationaal instituut met een internationale reputatie. Vele schrijvers en tekenaars droomden ervan zich ooit een plaats te verwerven aan de beroemde Punch-tafel, de ovalen Victoriaanse tafel waaraan de redactievergaderingen sinds het midden van de negentiende eeuw plaatsvonden. Zowel Milne als Shepard verwezenlijkten die droom: Milne werd de redactiesecretaris in 1906 en Shepard staftekenaar in 1921.

Punch was het blad van het Britse establishment. De gegoede middenklasse en haar eigenaardigheden waren het mikpunt van de humoristische teksten en tekeningen, maar de spot was mild en beoogde geen sociale ommekeer teweeg te brengen. Punch was een blad vóór de gegoede burgerij dat gemaakt werd dóór de gegoede burgerij. De redactieleden genoten bijna allen de klassieke opleiding van de Britse gevestigde orde: eerst naar een particuliere kostschool en vervolgens een studie aan Oxford of Cambridge. Het waren advocaten, journalisten, docenten, romanciers, kunstenaars, en allemaal mannen. De Britse politiek werd kritisch gevolgd, maar de banden met de politieke wereld waren nauw en het wederzijds respect was groot. Verschillende Punch-hoofdredacteuren werden geridderd en toen in augustus 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, werden de satirische spotternijen moeiteloos gecombineerd met een ronkend patriottisme.

Dit was de wereld waarin Ernest Shepard zich een plaatsje verwierf. Hij werd geboren in Londen als de zoon van een architect met artistieke connecties, en groeide op in een groot huis met dienstboden, een kindermeisje en vakanties op het platteland. Na de particuliere kostschool ontwikkelde hij zijn tekentalent aan de Royal Academy of Arts, waar hij verschillende prijzen won. Toch kende zijn professionele tekencarrière een moeizame start. Hij begon als boekillustrator en pas in 1906, het jaar dat de drie jaar jongere A.A. Milne aanschoof aan de Punch-tafel, accepteerde het blad zijn eerste spotprent. Het zou nog vijftien jaar duren voor Shepard tot de staf toetrad, maar in de tussenliggende periode werd met grote regelmaat werk van hem gepubliceerd.

Toen in augustus 1914 de Grote Oorlog uitbrak, meldde Shepard zich niet meteen als vrijwilliger. De rekruteringscampagnes waren niet gericht op getrouwde mannen van 34 met twee jonge kinderen en de verwachting was aanvankelijk dat de oorlog rond de Kerst wel in Brits voordeel beslecht zou zijn. Shepard was een overtuigd patriot en had geen afkeer van de militaire wereld. In zijn memoires herinnerde hij zich dat hij als achtjarige jongen een voorliefde had voor slagveldscenes en militaire parades.[1] In dit opzicht verschilde hij totaal van A.A. Milne, die het leger verfoeide en het pacifisme een warm hart toedroeg. In 1934 publiceerde hij een pacifistisch boek, Peace with Honour, naar eigen zeggen om duidelijk te maken dat oorlog een dodelijk vergif was, en niet een vies smakend medicijn. In 1940 zou Milne op zijn standpunt terugkomen.

Shepard was zijn hele leven een patriot met grote belangstelling voor het krijgsbedrijf, maar zijn oorlogstekeningen in Punch zijn altijd mild van toon, ook als ze de vijand portretteren. Dat was in schril contrast met andere Punch-medewerkers. De hoofdredacteur van het blad produceerde na het uitbreken van de Grote Oorlog propagandistische verzen waarin hij de vermeende misdaden van de Duitse barbaren tegen de Belgische burgerbevolking breed uitmat en dramatische beelden opriep een ‘dode baby die zich nog vastklampt aan de borst van de vermoorde moeder’,[2] en ook de staftekenaars portretteerden de vijand als duivelse barbaren. Bernard Partridge (1861-1945), sinds 1910 de hoofdtekenaar van het blad, zette de toon met zijn ‘De triomf van de Cultuur’.[3]

triumph of culture 20181219 1207131185

Een Duitse ulaan staat met rokende revolver boven de zielloze lichamen van een moeder en haar dochtertje. Op de achtergrond ligt het lijk van de vader, die de soldaat al eerder had omgelegd. Dit is het vijandbeeld dat de Britse propaganda vanaf augustus 1914 presenteerde: de Duitsers zijn de Hunnen, de gewetenloze barbaren die burgers genadeloos vermoorden en in het arme België een spoor van vernielingen achterlaten.

Ernest Shepard deed niet mee aan deze propagandastrijd. In zijn tekeningen zijn de Duitse soldaten eerder koddige stoethaspels dan bloeddorstige bruten. Terwijl andere Punch-tekenaars zich druk maakten over burgerslachtoffers en Duitse oorlogsmisdaden presenteerde Shepard alleen de voetbal als ‘ongenoemd slachtoffer’ van de karakteristieke Duitse punthelm, de ‘pickelhaube’.[4]

 unreported casualty 20181219 1797302429

De spotprenten die Shepard voor Punch maakte zijn doorgaans gebaseerd op een mild ironische verwijzing naar een zeer herkenbare menselijke tekortkoming zoals de gegoede Engelse burgerij die etaleerde. Ze zijn als een lachspiegel die de eigenaardigheden van de gezeten burgerij uitvergroten en amuseren zonder te verontrusten. Want een lachspiegel verdraait de werkelijkheid zonder die wezenlijk aan de kaak te stellen. In ‘The Suspect’ (de verdachte)[5] drijft Shepard de spot met de spionnenmanie uit de eerste oorlogsweken, toen in bijna alle oorlogvoerende landen (en ook in het neutrale Nederland) een bijna paranoïde angst voor spionnen oplaaide: iedereen die zich waar dan ook ophield met een aantekenboekje of schetsblok werd onmiddellijk verdacht van het verzamelen van gevoelige informatie voor een vijandelijke mogendheid. Een nietsvermoedende keurige dame op leeftijd heeft zich ergens in een dorpje geïnstalleerd om in de buitenlucht wat schetsen te maken van broedende kippen. Achter haar rug slaan de dorpsbewoners groot alarm omdat hier toch vast een van die gevreesde spionnen aan het werk is. Een politieman, die blijkbaar al enige tijd in de pub vertoefde, wordt er in allerijl bijgehaald.

 the suspect 20181219 1778346480

Shepards oorlogstekeningen lijken vaak speciaal te zijn gemaakt voor de soldaten in de loopgraven. Hij steekt de draak met burgers, en vooral vaak met vrouwen (maar Punch was dan ook een echt mannenblad), die helemaal niets van het krijgsbedrijf begrijpen, maar wel hun uiterste best doen om een nuttige oorlogsbijdrage te leveren.

Toen eind 1914 de eerste oorlogswinter zich aankondigde deden de autoriteiten een oproep aan de bevolking om warme kleding in te zamelen voor de soldaten in de loopgraven. In ‘The history of a pair of mittens’ (De geschiedenis van een paar wanten) tekent Shepard een jongedame die met veel goede wil, weinig vaardigheid en een schriftelijke cursus breien probeert een paar wanten te fabriceren.[6] Het eindresultaat laat nogal wat te wensen over, maar de soldaat is een meester in het improviseren en weet er toch nog het beste van te maken.

 the history of a pair of mittens 20181219 1991418098

Na de eerste winter in de loopgraven was duidelijk dat de oorlog veel langer zou gaan duren dan verwacht. De verliezen aan mensen en materiaal waren daarbij zo ongekend hoog dat de vraag naar nieuwe rekruten alleen maar toenam. Om die reden werd er vanaf 1915 ook een beroep gedaan op gehuwde jonge mannen. In de zomer van 1915 ging Shepard vrijwillig onder de wapenen. Na een opleiding van vier maanden meldde hij zich in januari 1916 als luitenant bij de 105de Batterij Belegeringsartillerie. Ondertussen ging zijn tekenwerk gewoon door: hij had een jong gezin te onderhouden dus de extra inkomsten waren welkom.

De Eerste Wereldoorlog werd niet alleen aan in de loopgraven uitgevochten; ver achter de frontlinies had ook de burgerbevolking er onder te lijden. De Britse marine stelde op de Noordzee een blokkade in om Duitsland economisch af te knijpen. Vanaf begin 1915 zetten de Duitsers zeppelins in om bombardementsvluchten boven de grote steden en industriële centra in Engeland uit te voeren. Om de toenemende angst onder de burgers te bezweren begon de Britse geïllustreerde pers daarom al in 1915 een soort voorloper van de Battle of Britain-geest te cultiveren, en luitenant Ernest Shepard gebruikte daarvoor de zelfspot als een krachtig medicijn.

the uses of a zeppelin 20181219 1563405084

In ‘The uses of a Zeppelin’ (Het nut van de zeppelin)[7] is een bom ergens in de achtertuinen van een ‘nette’ buurt terechtgekomen. Een stuk van de schutting is weggeslagen en twee buren staan nu plotseling oog in oog. Uiterst ongemakkelijk en zeer gereserveerd bekijken ze elkaar met afgewend gelaat. De hond en de kat illustreren wat voor acute spanningen er door het  wegvallen van de schutting zijn ontstaan. Op de achtergrond zijn de dienstmeiden druk met elkaar in gesprek – over de schutting die daar nog intact is. Een bobby houdt als toonbeeld van rust en orde de kijklustige massa op een afstand – achter weer een andere schutting. De ironie van de tekening ligt in de suggestie dat de zeppelin een positieve bijdrage zou leveren door sociale barrières te slechten en Britse burgers nader tot elkaar te brengen. Het gevaar van de zeppelinaanvallen wordt daarmee totaal gebagatelliseerd en tegelijkertijd wordt de draak gestoken met de zo vertrouwde sociale scheidslijnen. Want het enige wat deze buren gemeen hebben is het onuitgesproken voornemen de schutting zo snel mogelijk weer in zijn oude glorie te laten herstellen.

Die laconieke, observerende humor is ook typerend voor de Winnie-the-Pooh verhalen die Milne en Shepard tien jaar later tot beroemdheden maakten. Christopher Robin (ofwel Janneman Robinson in de Nederlandse vertaling van Nynke van Hichtum uit 1929), zijn beer Winnie en de andere speelgoeddieren zijn behept met dezelfde menselijke tekortkomingen als waar Punch de spot mee dreef: ze zijn onnozel, pretentieus, angstig, egoïstisch, onbeholpen, een tikje hypocriet en allemaal gentlemen of leisure: ieder heeft een eigen woning en gewerkt wordt er niet. In het  Honderd Bunderbos waar zij wonen zijn de figuurlijke schuttingen net zo hoog opgetrokken als in de welgestelde Engelse buitenwijken van Punch. Het Bunderbos is een aards paradijs dat geheel van de buitenwereld is afgesloten. Als in hoofdstuk zeven Kanga en Roe in het bos opduiken weet niemand waar ze vandaan komen of hoe ze in het bos zijn terechtgekomen. Janneman zelf heeft ook geen flauw idee, maar dat wil hij niet laten merken als Poeh hem er naar vraagt. ‘Op de gebruikelijke manier, als je begrijpt wat ik bedoel, Poeh,’ bluft hij, en Poeh, die niet wil laten merken dat ‘de gebruikelijke manier’ hem volledig onbekend is, neemt daar genoegen mee. Poeh en Knorretje zien overal sporen van de heffalump zoals de Britse burgers in 1914 overal spionnen vermoedden en Iejoor krijgt verjaarscadeaus die in nutteloosheid niet onderdoen voor een paar vormeloze wanten.

De humor van Poeh is de humor van Punch: niet alleen van de spotprenten van Shepard, maar meer nog van de prozabijdragen die A.A. Milne voor het tijdschrift schreef. In de stukjes die betrekking hebben op de oorlog is de verteller doorgaans een niet-militair die zich graag voor het vaderland wil inzetten, zonder zich bewust te zijn van zijn eigen grenzeloze onkunde, onwetendheid en ongeschiktheid. Zoals bijvoorbeeld in ‘De rekruteerder’, waarin de hoofdpersoon in de halfdonkere kelder van een rekruteringsbureau voor de dienst wordt gekeurd. De dokter begint met zijn ogen te testen:

‘Wacht even,’ zei ik. Ik duwde z’n hand voor m’n oog weg en tuurde ingespannen naar de muur. ‘Dat is een B,’ verkondigde ik vol trots. ‘Die daar bovenaan.’ De dokter en de sergeant keken elkaar aan.’ Dat wordt niks,’ zuchtte de sergeant. ‘Hij kan de bovenste twee regels niet eens lezen,’ kreunde de dokter. ‘Jullie hebben makkelijk praten,’ viel ik hen verontwaardigd in de rede; ‘één van jullie woont hier zo’n beetje en de ander heeft die kaart ondertussen uit z’n hoofd geleerd. Ik kom me trouwens niet alleen voor nachtelijke operaties aanmelden. Dat regiment van jullie doet bij daglicht toch ook wel eens wat?’ De dokter, die het daglicht alleen van horen zeggen kende, keek me niet begrijpend aan; de sergeant herhaalde somber, ‘Nog niet eens de bovenste twee regels.’
‘Ik weet ’t goed gemaakt,’ zei ik, ‘geef me die kaart mee en dan kom ik morgenochtend terug. Als ’t jullie alleen om twee regels te doen is, dan moet dat nog wel lukken.’[8]

Een dergelijke onnozele hals kan zo mee op de expetitie naar de Noordpol.

Winnie-the-Pooh is diep geworteld in de Grote Oorlog. De beroemde speelgoedbeer is vernoemd naar een berenjong dat een Canadese paardenarts in 1914 als mascotte had meegenomen naar Engeland. Luitenant Harry Colebourn (1887-1947) doopte het beertje ‘Winnie’, naar zijn woonplaats Winnipeg. Toen de legerautoriteiten hem eind 1914 verboden Winnie mee te nemen naar Frankrijk, bracht hij haar onder in de Londense dierentuin. Na de oorlog zag hij af van zijn oorspronkelijke plan de beer mee terug te nemen naar Canada, en schonk haar aan de dierentuin. Daar werd Winnie een ware publiekstrekker, vooral populair bij de vele kinderen, waaronder Christopher Robin, het zoontje van A.A. Milne. Een van de Punch-redacteuren had contacten in de dierentuin en hij zorgde ervoor dat Christopher Robin Winnies verzorger mocht helpen en samen met de beer werd gefotografeerd.[9]

 ann thwaite winnie 20181219 1868030505

A.A. Milne schreef de Poeh-verhalen halverwege de jaren twintig. Rond die tijd verschenen er veel oorlogsmemoires en -romans, waarin de verschrikkingen van de oorlog en de vernietiging van de natuur vaak worden afgezet tegen de idyllische vooroorlogse periode en de schoonheid van het Engelse landschap. Het bekendste voorbeeld hiervan zijn de eerste twee delen van de memoires van oorlogsdichter Siegfried Sassoon, Memoirs of a Fox-Hunting Man (1928) en Memoirs of an Infantry Officer (1930), maar ook de Winnie-de-Poehboekjes werden gemaakt door twee oorlogsveteranen.

Luitenant Milne diende slechts kort aan het front, maar lang genoeg om de verschrikkingen van de loopgravenoorlog aan den lijve te ondervinden. In juli 1916, kort na het begin van het Britse offensief aan de Somme, arriveerde hij als verbindingsofficier aan het front. Een paar dagen na zijn aankomst kwam het kamp waar zijn regiment was gelegerd onder artillerievuur te liggen. Er waren 51 doden en gewonden, onder de doden was een jonge officier die samen met hem naar het front was gereisd. Milne diende korte tijd in de voorste loopgraaf waar hij verantwoordelijk was voor het leggen en herstellen van telefoonverbindingen. In november 1916 kreeg hij de gevreesde loopgravenkoorts  (‘trench fever’), en op ziekentransport naar Engeland gezet. De rest van de oorlog werkte hij als instructeur aan een opleiding voor verbindingsofficieren. Daarnaast werd hij door het Britse propagandabureau MI7b ingehuurd om pro-Britse en anti-Duitse teksten te leveren.[10] In 1925 kocht hij Cotchford Farm in Sussex en in die landelijke omgeving situeerde hij de Winnie-the-Poe verhalen. Volgens de Amerikaanse schrijfster Alison Lurie creëerde hij daar een wereld die was als ‘het verloren paradijs van de kinderjaren’,[11] een veilige, beschutte en heel Engelse wereld waarin de verschrikkingen van het westelijke front niet langer bestonden, of beter nog: nooit hadden bestaan.

Ook Ernest Shepard had de oorlog niet ongemoeid gelaten. Hij diende ruim drie jaar als artillerieofficier in Frankrijk en Italië, en de oorlog begon zijn tekenwerk in die tijd steeds meer te domineren. Zijn spotprenten voor Punch blijven mild van toon en geven vaak een bijna onschuldig beeld van de oorlog. De grote kanonnen van de vestingartillerie stonden kilometers achter het front opgesteld, maar één officier deed altijd dienst als ‘forward observation officer’: vanuit de voorste loopgraaf volgde hij de beschieting van de vijandelijke linies en waar nodig gaf hij instructies door om het vuur beter te richten. Maar een beschieting van de vijandelijke linies werd in de regel door de vijand beantwoord en dat maakte het werk van zo’n vuurwaarnemer tot een gevaarlijke bezigheid. Maar in de titelloze tekening die Shepard in 1916 voor Punch maakte, valt daar niets van te merken. Een vuurwaarnemer rapporteert dat hij zijn waarnemingen moet staken vanwege slecht zicht. Dit suggereert invallende mist of duisternis, maar de tweede tekening maakt duidelijk dat het zicht wordt belemmerd door een poes, die genoeglijk tegen de loopgraafperiscoop aanschurkt.[12]

 observation officer 20181219 1530632879

Naast zijn spotprenten maakte Shepard voor zichzelf tekeningen van gebeurtenissen achter het front die zijn aandacht trokken. Bij een fraaie aquarel van een neergestort Frans vliegtuig dat aandachtig wordt bekeken door een groepje Franse soldaten, maakte hij de aantekening dat het toestel was neergehaald door eigen vuur, maar dat het officieel werd geboekstaafd als een mislukte noodlanding.[13]

neergestort frans vliegtuig 20181219 1011088318

In mei 1917 maakte hij een aquarel van een tank, het nieuwe Britse wapen dat voor het eerst was ingezet aan de Somme in 1916, maar zo goed geheim was gehouden, dat het ook voor Britse officieren als Shepard een bezienswaardigheid moet zijn geweest. Opvallend aan deze schets is dat Shepard de contouren van de tank goed heeft getroffen, maar de zijkasten (‘sponsons’) die in het midden van de tank zijn aangebracht en waaruit de kanons- of mitrailleurslopen staken, zijn opvallend vaag weergegeven, alsof Shepard die vanuit zijn standpunt niet goed kon bekijken.

aquarel van britse tank 20181219 1785998098

Onderstaande foto van een Britse Mark IV tank uit 1917 geeft een beter beeld van een sponson, in dit geval uitgerust met een Hotchkiss 57 mm. kanon.

 britse mark iv tank uit 1917 20181219 1154906308

In 1917 nam Shepard deel aan de slag bij Passendale, een Brits offensief dat smoorde in de blubber van het door de gestaag vallende regen in een moeras herschapen bodem. Hij maakte er een paar vluchtige schetsen, die er toch in slagen een beeld te geven van een troosteloos landschap waar van huizen en bomen niet meer dan ruïnes en stronken resten. Als zovele andere soldaten die hebben geschreven over hun ervaringen bij Passendale, moet ook Shepard geschokt zijn geweest toen hij zag hoe in de moderne oorlog de mensheid niet alleen zichzelf, maar ook de natuur totaal vernietigt.

 schets passendale 20181219 2015278012

Toch blijven Shepards oorlogstekeningen observerend en registrerend. Hij legde vast wat hij zag, zonder een enorme sterke emotionele lading of diepere boodschap aan zijn werk mee te geven. De tekenaar werd nooit de grote kunstenaar die in zijn illustraties uiting trachtte te geven aan de gevoelens die zijn oorlogservaringen bij hem teweegbrachten.

Want ook bij hem sloeg de oorlog diepe wonden. In het eerste deel van zijn in 1957 gepubliceerde memoires geeft hij een idyllisch beeld van zijn leven als achtjarig jongetje in 1887: hoe hij speelde met zijn oudere broer en zus en hoe ze voor het slapen gaan luisterden naar de kerkelijke liederen die hun uit Wales afkomstige kindermeisje voor ze zong. En dan is daar plotseling de oorlog:

Negenentwintig jaar later zou ik de woorden van die liederen opnieuw horen. Ze werden gezongen door Welse stemmen op een stoffige, door granaten omgeploegde weg in Picardië, toen een bataljon van de Welch Fusiliers richting slagveld marcheerde. Toen ze passeerden stond ik langs de kant van de weg, dichtbij wat ooit [het dorpje] Fricourt was geweest. Ik was ze dankbaar voor hun lied. Het was alsof de mannen een requiem zongen. Want eerder die dag had ik het graf van mijn broer gevonden in Mansell Copse.[14]

Shepards oudere broer, luitenant Cyril Harry Shepard, sneuvelde op de eerste dag van het Somme-offensief, op 1 juli 1916. Hij was 39 en nog maar pas getrouwd.[15]

Ernest Shepard werd in 1919 gedemobiliseerd. In de drie jaar aan het front had hij een indrukwekkende carrière gemaakt: hij was opgeklommen van 2de luitenant tot majoor en in 1917 onderscheiden met het Military Cross. In 1921 kreeg hij een plaats aan de Punch-redactietafel, maar zijn grootste roem moest nog komen: in 1925 maakte hij de onvergetelijke tekeningen voor A.A. Milnes Winnie-the-Pooh.

Op veel van die tekeningen kijkt Winnie op naar Christopher Robin en het stipje dat zijn oog weergeeft zit dan ter hoogte van zijn snuit, of zelfs iets daaronder. Het geeft de beer zijn essentiële karaktertrek: zijn onbegrip. Veel van wat zich rond hem afspeelt kan hij niet of nauwelijks bevatten, maar daar lijdt hij niet onder. Ernest Shepard moet net zo naar zijn carrière gekeken hebben: een ‘goede’ oorlog en daarna staftekenaar bij het grote instituut Punch, maar de onsterfelijkheid verwierf hij met zijn tekeningen voor een paar kinderboeken. Misschien kon hij troost putten uit de gedachte dat dit lot ook een van zijn grote Punch-voorgangers getroffen had: Sir John Tenniel (1820-1914) was ruim een halve eeuw een van de belangrijkste tekenaars voor het blad, maar zijn blijvende bekendheid dankt hij aan de illustraties die hij maakte voor Alice in Wonderland (1865).

In 1931 kreeg Shepard de opdracht nieuwe tekeningen te maken bij een ander klassiek Brits kinderboek, het in 1908 verschenen The Wind in the Willows van de Schotse schrijver Kenneth Grahame (1859-1932).[16] Ook hier slaagde Shepard er in de dierenfiguren zo af te beelden dat zijn tekeningen het boek een onmiskenbare meerwaarde gaven, en net als bij de Winnie-the-Poeh boeken speelt ook in deze tekeningen het Engelse landschap een niet onbelangrijke bijrol. Shepard bleef tekenen voor Punch tot 1953, toen een nieuwe hoofdredacteur hem als te gedateerd aan de kant schoof. Op hoge leeftijd schreef hij zijn memoires, Drawn from Memory (1957) over het jaar 1887 en Drawn from Life (1961), waarin hij de periode 1890-1904 en zijn opleiding aan de kunstacademie beschrijft. Hij overleed in maart 1976, op 96-jarige leeftijd.

Tot slot, voor de echte Poeh-puristen: vergeet nooit de koppeltekens in Winnie-the-Poeh. Ze werden weggelaten toen de Walt Disney-fabriek zijn eigen versie van Poeh en zijn kornuiten op de markt bracht. Maar de echte Poeh-liefhebber haalt daar enorm z’n neus voor op.

 

[1] E.H. Shepard, Drawn from Memory (Harmondsworth: Penguin, 1975), 48, 75-6.

[2] Own Seaman, ‘To the enemy, on his achievement’, Punch, 21 oktober 1914, 330.  Later gebundeld in War-Time (Londen: Constable, 1915), 22-23.

[3] Punch, 25 augustus 1914.

[4] E.H. Shepard, ‘Unreported casualty’, Punch, 7 oktober 1914, 298.

[5] Punch, 9 september 1914, 222.

[6] Punch, 18 november 1914, 417.

[7] Punch, 27 oktober 1915, 357.

[8] ‘The Recruiter’, Punch, 20 januari 1915, 46.

[9] Ann Thwaite, A.A. Milne: the man behind Winnie-the-Pooh (New York: Random House, 1990), 283-4.

[10] Thwaite, A.A. Milne, 172-181 en The Guardian, 26 april 2013.

[11] Alison Lurie, Don’t Tell the Grown-Ups (New York: Avon Books, 1990), 150.

[12] Punch, 27 september 1916, 227. Het is de samensteller van Shepard’s War, het boek over Shepards oorlogstekenwerk, ontgaan dat het hier om een dubbeltekening gaat; in het boek staan ze op verschillende bladzijden afgedrukt. Zie James Campbell, Shepard’s War, (London: LOM Art, 2015), 66 & 91.

[13] Campbell, Shepard’s War, 58-9.

[14] Shepard, Drawn from Life, 134.

[15] Cyril Shepard diende in het 9de bataljon van het Devonshire regiment onder kapitein Duncan Lenox Martin, de man die wist dat hun aanval geen schijn van kans maakte omdat ze in open veld op een nog niet uitgeschakelde Duitse mitrailleurstelling af liepen. Ook kapitein Martin sneuvelde die 1ste juli 1916. Zie Martin Middlebrook, The First Day on the Somme 1 July 1916 (Harmondsworth: Penguin, 1984), 86, 125.

[16] A.A. Milne had in 1929 een toneelbewerking van het boek gemaakt, Toad of Toad Hall.

Copyright 2016 Paul Moeyes

p.moeyes@hva.nl