Paul Moeyes

  • Illustraties_6
  • Illustraties_3
  • Illustraties_1
  • Illustraties_5

Inhoudsopgave

Nepnieuws van het Westelijk Front

NEPNIEUWS VAN HET WESTELIJK FRONT

In juni 1915 schreef luitenant Denis Barnett een brief aan een vriend in Engeland waarin hij zijn verwondering uitte over het soort ansichtkaarten dat zijn manschappen vanuit de loopgraven naar huis stuurden: Er staat zo’n akelig Frans burgermannetje op in een soort karikatuur van ons uniform, met een Frans geweer, gezeten op een met mos bedekte kei (of zoiets), met het wit van zijn ogen hemelwaarts gedraaid naar een visioen van een lelijk wicht in de bovenhoek. De tekst bovenaan is ‘ZIJN DROOM’! Ze zijn gek op dit soort kaarten en sturen ze in enorme hoeveelheden naar huis. Kan je dat geloven? Ze weten precies hoe de vork in de steel zit, en toch verzenden ze dit soort gekleurde prulproducties…[1]

Greetings from France

Alternatieve feiten zijn van alle tijden, en tijdens de Eerste Wereldoorlog werden ze vanuit de loopgraven dagelijks met honderdduizenden tegelijk de wereld in gestuurd. Vooral in de eerste jaren van de Grote Oorlog was er van een betrouwbare informatievoorziening nauwelijks sprake. Een Schotse officier noteerde in juli 1915 dat hij had besloten alleen nog maar te geloven wat hij met eigen ogen had waargenomen, omdat hem bij het censureren van de brieven van zijn manschappen was opgevallen dat ze van alles bij elkaar fantaseerden.[2] De meeste soldaten gaven er echter de voorkeur aan de werkelijkheid niet te verfraaien, maar eenvoudigweg te verzwijgen: over de gruwelen van de moderne oorlogsvoering werd met geen woord gerept. Vandaar hun voorliefde voor de romantische, sentimentele, vaderlandslievende en bovenal waarheid-verbloemende prentbriefkaarten die luitenant Barnett zo verafschuwde. Veel soldaten hadden zelfs een broertje dood aan het corresponderen en maakten daarom gebruik van voorgedrukte veldpostkaarten. Daarop stonden zes mededelingen, die de soldaat alleen maar hoefde door te strepen als ze niet van toepassing waren. Hun thuisfront ontving daarom in de regel niet veel meer dan de eerste mededeling die aangaf dat er geen reden voor ongerustheid was: I am quite well.

Letter from France

Korporaal George Coppard herinnerde zich dat de veldpostkaarten vaak vlak vóór een gevaarlijke actie werden ingevuld, zodat de familie soms zo’n kaart ontving als hun familielid al was gesneuveld.[3]

Ook van de officiële nieuwsvoorziening had het thuisfront weinig te verwachten. De weinige journalisten die aan het front werden toegelaten stonden onder strenge censuur, en de meeste kranten en tijdschriften werkten nauw samen met propaganda instellingen. In de zomer van 1914 berichtten alle Duitse kranten over de franc-tireurs, de gewapende Belgische burgers die achter de linies de Duitse troepen in de rug aanvielen, hoewel daar ook na de oorlog nooit enig bewijs voor is gevonden. Een mantra in de Franse pers was de niet aflatende vechtlust van de eigen troepen: ‘Ze keken uit naar het nieuwe offensief alsof ze op vakantie gingen. Ze waren dolgelukkig! Ze lachten en maakten voortdurend grappen![4] Maar in 1917 brak er muiterij uit in het Franse leger die angstvallig werd verzwegen (pas later dit jaar – honderd jaar na dato – zullen de laatste archieven openbaar gemaakt worden). En in de Britse pers verschenen indianenverhalen over Duitse gruweldaden, zoals  over een fabriek waar de lijken van gesneuvelde soldaten tot zeep werden verwerkt. Na de oorlog erkende de Britse oorlogsverslaggever Philip Gibbs dat er van objectieve berichtgeving geen sprake was geweest: ‘We dachten er niet aan om ook maar iets te schrijven wat de taak van de officieren en manschappen moeilijker of gevaarlijker zou maken. Het was absoluut niet nodig om onze berichten te censureren. Dat deden we zelf al.’[5]

De communicatie tussen officieren en manschappen, en tussen bevelhebbers en legeronderdelen, verliep al evenmin vlekkeloos. Maar aan het front ging het niet om een verdraaiing van de feiten, maar om een te trage of helemaal niet functionerende informatie-uitwisseling. Generaals gingen al lang niet meer hun manschappen voor in de strijd. Zij zaten ver achter het front en waren afhankelijk van telefoonverbindingen, ordonnansen, vuurpijlen, lichtsignalen of postduiven om de gevechten te coördineren. Al deze communicatiemiddelen bleken onbruikbaar of uiterst kwetsbaar. Telefoonlijnen werden kapotgeschoten door vijandelijk artillerievuur of gebroken door soldaten die zich ’s nachts in het pikkedonker een weg zochten naar en uit de voorste loopgraven. Boodschappers en postduiven sneuvelden, en tijdens een actie waren vuurpijlen vaak te beperkt en lichtsignalen niet zichtbaar. De ironie van de moderne oorlog was dat de communicatie tussen bevelhebbers en troepen alleen maar in belang was toegenomen, maar vaak moeizamer verliep dan tijdens de oorlogen uit het verleden.

Een belangrijk gevolg daarvan was dat bevelhebbers een offensieve actie wel in detail konden voorbereiden, maar niet adequaat konden reageren op onverwachte ontwikkelingen die tijdens het uitvoeren van de actie plaatsvonden. Zo verliep de communicatie tussen infanterie en artillerie vaak zo gebrekkig dat het veelvuldig voorkwam dat de aanvallende troepen in een veroverde loopgraaf werden beschoten door de eigen artillerie.

Signals

Maar men kreeg tijd om te leren. De oorlog waarvan men aanvankelijk verwachtte dat hij rond Kerstmis 1914 wel zou zijn beëindigd duurde zo lang en de verliezen liepen zo hoog op dat de legerleiding besefte dat alternatieve strijdplannen noodzakelijk waren. Aan het front bleef de communicatie tussen bevelhebber en aanvalstroepen problematisch, maar extra telefoonverbindingen, een gedegen voorbereiding en aanpassingen in de strategie (bijvoorbeeld door de infanterie de artilleriebeschieting te laten volgen in plaats van andersom) betekenden een merkbare verbetering.

Ook de berichtgeving naar het thuisfront veranderde. De Britse minister van Financiën David Lloyd George had begin 1915 al zijn bezorgdheid geuit over het effect van de nieuwsvoorziening op het thuisfront. Volgens hem zou er snel een moment komen waarom de lezers niet langer zouden geloven in de officiële communiqués die het Algemeen Hoofdkwartier uitvaardigde over ‘zware beschietingen’, ‘een kleine terreinwinst’ en ‘heroverde loopgraven’, vooral als het eerdere verlies van de loopgraven nooit was gemeld: ‘Het Britse publiek hecht geen waarde meer aan oorlogsberichten die kleine successen aandikken en tegenslagen verzwijgen.’[6] Die verandering vond plaats in de loop van 1916: het bloedbad bij Verdun en de slachting aan de Somme betekenden dat bijna geen familie meer gevrijwaard bleef van de gevreesde oorlogstelegrammen waarin de dood, verwonding of vermissing van een familielid werd gemeld. En dan waren er de verlofgangers die vertelden dat de omstandigheden aan het front niet zo romantisch en rooskleurig waren als de pers wel beweerde.

En zo veranderde ook het thuisfront zijn houding ten aanzien van de oorlog. Terwijl sommige rouwende ouders zich tot een medium wendden in de hoop troost van gene zijde te ontvangen, begrepen de autoriteiten dat de eenzijdige en opbeurende propagandaboodschappen geen effect meer hadden. In de herfst van 1917 maakten de foto’s en rapportages van het slagveld bij Passendale voor iedereen duidelijk dat de moderne oorlog een mens- en natuurvernietigende slijtageslag was die zijn weerga niet kende.

Passendale

Honderd jaar geleden was de samenleving beduidend minder communicatief ingesteld dan tegenwoordig. Deels omdat de grote bloeiperiode van de communicatietechniek nog moest beginnen, maar ook omdat de politieke en militaire autoriteiten een heldere informatievoorziening niet als prioriteit beschouwden. De slopende strijd van 1914-1918 toonde aan dat betrouwbare communicatiemiddelen in de moderne oorlogsvoering een absolute noodzaak waren geworden en dat voor propagandaboodschappen een beperkte houdbaarheidsdatum gold. Maar dat betekende niet dat de wereld in een klap was veranderd. Vanuit de loopgraven werden de romantische en sentimentele prentbriefkaarten ook in 1918 nog in grote getale verzonden.

 

[1] Denis Oliver Barnett, Letters from France and Flanders (Privately printed 1915), 164.

[2] A.D. Gillespie, Letters from Flanders (Londen: Smith, Elder & Co., 1916), 147.

[3] George Coppard, With a Machine-Gun to Cambrai (Londen: HMSO, 1969), 36.

[4] Petit Journal, 3 oktober 1915. Geciteerd in Jean-Jacques Becker, The Great War and the French People (Leamington Spa: Berg Publishers, 1985), 31.

[5] Philip Gibbs, Adventures in Journalism (Londen: Heinemann, 1923), 231.

[6] David Lloyd George, War Memoirs vol. 1 (Londen: Odhams Press, 1938), 372-3. Geciteerd in Cameron Hazlehurst, Politicians at War (Londen: Jonathan Cape, 1971) 190. 

Copyright 2016 Paul Moeyes

p.moeyes@hva.nl