De eerste oorlogsmaanden leed de Nederlandse bevolking aan een acute uitbraak van spionnenvrees, ook wel ‘spionitis’ genoemd. Deze spionage-obsessie ebde echter snel weer weg, deels doordat de vermeende spionagegevallen bleken te berusten op misverstanden of loze geruchten, maar ook omdat na enkele weken de oorlogsangst, die hoofdverantwoordelijk was geweest voor het ontstaan en opbloeien van de spionnenvrees, begon weg te zakken naarmate de oorlog zich verder naar het zuiden van België en Noord-Frankrijk verplaatste.
Eind november stak een nieuwe angst de kop op. Deze had geen betrekking op vijandelijke agenten die zich op dat moment schuldig maakten aan spionage, maar aan de vooroorlogse activiteiten van dergelijke agenten, die in het geheim voorbereidingen zouden hebben getroffen voor een Duitse bezetting van Nederland. Deze hysterie richtte zich voornamelijk op verborgen telegrafiezenders en betonvloeren die zouden zijn aangelegd voor de installatie van zware artillerie:

